AtlasNH 2030 Veldwerk

Het veldwerk voor de Noord-Hollandse Vogelatlas wordt uitgevoerd in de periode 1 maart 2021 tot en met 28 februari 2027.  De periode 1 maart 2027 tot en met 28 februari 2029 wordt benut om ontbrekende gegevens te verzamelen. Beschikbare gegevens uit 2020 zullen aan het project worden toegevoegd, omdat de Vogelwerkgroep Amsterdam al veel gegevens heeft verzameld voor hun Vogelatlas van Amsterdam.

Alle kilometerhokken in een atlasblok dienen gedurende alle vier seizoenen minimaal tweemaal onderzocht te worden. De minimaal acht bezoeken aan een kilometerhok mogen over meerdere jaren verdeeld worden.

Alle vogelsoorten worden met de Vogelatlas in kaart gebracht, dus ook exoten als Nijlgans en Halsbandparkiet: ze zijn niet meer weg te denken uit de Noord-Hollandse vogelwereld. Bovendien horen discussies over eventuele schadelijkheid van exoten (concurrentie met inheemse soorten, gewasschade) te beginnen met de feiten: waar komen ze voor en neemt hun verspreiding toe of af.

Omdat de Vogelatlas NH 2030 primair een verspreidingsatlas wordt, gaat het primair om de aanwezigheid van (gebiedsgebonden) soorten. Er wordt nog gewerkt aan een lijst van soorten waarvan het nuttig is ook aantallen op te geven. Het gaat hierbij om soorten die eenvoudig zijn te tellen (of te schatten) en waarvoor Noord-Holland een speciale verantwoordelijkheid heeft, zoals groepen watervogels, in het bijzonder ganzen, Kleine en Wilde Zwaan, Smienten, Krakeenden, Lepelaars, Goudplevieren, Kieviten en Wulpen.

Een belangrijk aspect tijdens het veldwerk in de broedtijd (maart-juli, maar sommige soorten ook al eerder in het jaar) is het vaststellen van de broedzekerheid per soort. In hoeverre wijst het waargenomen gedrag op broeden? Daartoe hanteren we de Sovon lijst met broedcodes.